Hoe andere culturen omgaan met leven en dood

Het Feest van de Doden

Si muero legos de ti que digan que estoy dormido, y que me traigan a ti.
Als ik ver van je sterf, dat ze je dan zeggen dat ik aan het slapen ben, en dat ze me naar jou brengen.

Een van de tradities die deel uitmaken van het cultureel erfgoed in o.a. Peru en Bolivia, is de manier waarop de doden herdacht worden. Op 1 en 2 november, wanneer wij hier onze familieleden en vrienden herdenken tijdens Allerheiligen en Allerzielen, vieren de Inca-volkeren in de Andes hun Dia de los Santos y Dia de los Difuntos.

Vóór de tijd van de Spaanse kolonisatie, leefde er bij de Andesvolkeren de gewoonte om de doden te vieren, door ze uit het graf te halen, ze mooie kleren aan te doen, hun graf te voorzien met goud, zilver en keramiek, voedsel en drank. Aya Mark’ay Quilla, de Quechua term voor november, was de maand van de doden. Aya wil lijk zeggen, en verwijst dus naar het feest dat ze met de doden vierden. De Spaanse priesters verboden het ketterse feest met de woorden: ‘het is een foute gedachte van de indianen dat de zielen zich van voedsel bedienen’.

Toch zien we vandaag dat het vieren van de overledenen nog steeds een levendig gebeuren is. Tijdens onze reizen naar Peru en Bolivia, hebben we dit feest mogen mee maken en waren we getuige van de overlevering van een eeuwenoude traditie, met veel bier, dansen langs en op de graven en zakken vol zoete cornflakes…

Nochtans leefde hier bij de Kelten, Germanen en Romeinen voor de komst van de Rooms-Katholieke Kerk eveneens de gewoonte om de doden te herdenken en te eren. De Kelten vierden Samhain tussen 31 oktober tot 3 november, en geloofden dat de sluier tussen deze wereld en de wereld van onze voorouders, veel dunner was, waardoor de doden makkelijk naar deze wereld konden terugkeren. In holistische en cyclische samenlevingen waarin reïncarnatie een logische verbinding is tussen de immateriële en materiële wereld, maken de doden integraal deel uit van het dagelijkse leven. Zij bevinden zich immers in de energetische wereld, van waar ze over ons waken en dragers zijn van kennis en wijsheid voor onze werkelijkheid hier op aarde. Voor hen is het dan ook logisch dat ze gevierd worden op die dagen dat de sluier tussen leven en dood ijler is. Dood is een natuurlijk onderdeel van het leven, zonder sterven

zou er ook geen leven mogelijk zijn. Kijk naar het voorbeeld van de natuur, in een immer voortdurende cyclus tussen de seizoenen, kunnen we steeds weer opnieuw waarnemen hoe leven en dood zich steeds weer opvolgen. Een traditie met zulke diepe wortels als het (h)erkennen en eren van de overledenen, breek je niet zomaar af. Zoals vele andere culturele elementen, ontstond er een religieus syncretisme tussen de waarden van de Quechuas en de Aymara, en de Katholieke kerk . Of hoe een uiterlijke kleedje een andere inhoud kan dekken. Concepten als het Laatste Oordeel, een plekje winnen in de hemel of veroordeeld worden tot lijden in de hel, bestaan niet bij de Andesvolkeren , en ook hun opvatting rond de dood is totaal anders. Dood en Leven gaan voor hen immers samen in een cyclisch geheel. Wat wel bij hen leeft, is de angst dat de doden blijven dwalen in deze wereld en onheil kunnen stichten onder de levenden. Om dit te vermijden, schenken de nabestaanden hen eten, drinken en kledij. Een liefdevolle behandeling van de zielen werpt immers zijn vruchten af in de samenleving. November is daarenboven in landen als Peru en Bolivia, de maand waarin de lente en het regenseizoen begint. De voorouders zorgen energetisch mee voor een goede oogst, de regen is dus welkom na de zaai en plantmaanden, september en oktober.

De cultus van de voorouders herinnert ons eraan hoe essentieel het concept van wederkerigheid is hun samenleving. In een cyclisch geheel van geven en ontvangen, speelt alles een rol: aarde, water, vuur, lucht, alle werelden, waaronder dus ook die van de doden en de voorouders.

Ook al zijn de details tussen de gemeenschappen, dorpen en culturen in de Andes verschillend, doorgaans zie je overal eenzelfde opbouw. Op 1 november 2013 waren we in Chuquito, een dorpje bij Puno, aan de rand van het Titicacameer in Peru, op weg naar Bolivia. Hier leven vooral Aymara gemeenschappen die er van uit gaan dat als we naar de andere kant heengaan, dat we evengoed een leven hebben, waar we kunnen denken, handelen en voelen. Anders dan bv. in de katholieke traditie, waar sterven gelijk staat met het verdwijnen van het leven, betekent het voor hen louter ‘slapen’. S Nachts gaat een deel van ons op stap om andere zielen te ontmoeten, en slapen we dus kort. Sterven is niets anders dan een lange slaap, wachtend op onze hergeboorte.

Doorheen alle voorbereidingen, werd onze nieuwsgierigheid al dagen op voorhand gewekt. Binnenshuis creëren de familieleden reeds twee weken op voorhand altaren voor de zielen van alle kinderen en volwassenen die de voorbije drie jaar heen gingen. Drie jaar na elkaar worden dus gestorven familieleden terug verwelkomt in huis . Vrouwen bakken ijverig allerhande zoet gebak, ter ere van de kinderen, zoals de Angelitos (engeltjes), Pan de Muerto (doden-brood) en andere gesuikerde lekkernijen. De Roscas de Muerto , de doden-koeken met een kruis in het centrum, zijn offers voor de volwassenen. Al deze lekkernijen krijgen een plek op het altaar, naast bloemen en kaarsen, en alles wat de overledene graag at en dronk in de ‘materiële’ wereld.

De dagen voor de festiviteiten plaatsvinden, worden de kerkhoven onder handen genomen. Familieleden ruimen de rommel op, wieden het onkruid, verven de graven opnieuw met levendige kleuren, fleuren alles op met verse bloemen en allerhande kleurrijke boeketten die op de markten te koop zijn. Bakken vol flessen 1l bier krijgen een plek buiten het kerkhof en wachten geduldig op 1 november…

Op 1 november is iedereen vanaf 7u s morgens al druk in de weer om de laatste voorbereidingen te treffen. Vanaf s middags (je hoort de klokken overal luiden) komen de zielen naar deze wereld en tot 6u s avonds wordt de terugkomst van de overleden kinderen gevierd. Vaak wordt er al de hele nacht van de 31ste oktober op 1 november gewaakt bij het graf van het kind. Een van de nog steeds levende gewoontes bij het eren van de kinderen, is het maken van een Tantawawa (Quechua voor baby). Hierbij wordt een soort pop uit zoet koekendeeg gemaakt, gewikkeld in een stof of doek, met als hoofd een suikeren carita (gezichtje) dat je overal op de markten en in de winkels kan kopen. In oktober en november puilen de markten letterlijk uit van de koeken in de vorm van poppen, paarden, alpacas, engeltjes en andere figuren, en hoofdjes in gekleurde suiker. De idee is dat de baby gedoopt wordt en dus een naam krijgt. Waarin ook weer de idee van reïncarnatie zit… de ziel van het overleden kind terug bij ons halen, in deze wereld. Op 1 november zie je overal jonge meisjes en jongens over straat lopen met hun baby’s, gewikkeld in een doek, ze komen naar je toe, ze zeggen de naam van het kind en je wordt gevraagd om een centje in de wikkeldoek te steken. Hoe de consumptiemaatschappij en oude tradities hand in hand gaan… Nadien wordt het geld in de spaarpot gestoken of nog meer zoetigheid gekocht en de koeken baby wordt samen opgegeten. Want leven en dood gaan altijd samen….

Vanaf 6u s avonds tot de volgende dag, de hele nacht door, is het tijd om de volwassenen te vieren. Familie, vrienden of buren waken bij het altaar, om te bidden voor de ziel die aanwezig is in het huis en hem of haar te vergezellen. Deze velaciones gebeuren altijd uit respect en wederkerigheid. Als dank voor het bezoek ontvangen de aanwezigen een Tantawawa of een Tanta Achachi (een grootvader/moeder uit koekebrood gemaakt), afhankelijk of het huis bezocht word door de ziel van een kind of een volwassene. Als de wake plaats vindt in het huis van de familie, verhuist het gele gezelschap op 2 november naar het kerkhof om te vieren. Maar vaak hebben de wakes reeds op 1 november plaats op het kerkhof, tussen en op de graven. Als eerbetoon aan de overleden familieleden, waar je kan deelnemen aan een waar festijn waarin er mega veel bier of chicha (soort gefermenteerde drank van maïs) wordt gedronken en zakken vol zoete popcorn in alle kleuren van de regenboog met grote scheppen wordt uitgedeeld.

In Chuquito werden we als enige buitenlanders uitgenodigd om mee te vieren, op het kerkhof. Het mooie is dat alle barrières daar wegvallen, en dat alles plaatsvindt in een natuurlijk ritme waarin tijd en ruimte tussen leven en dood vergaan. Het dansen op en rond de graven, de vreugdevolle life-muziek, al het bier dat er gedronken wordt alsook aan de doden wordt geofferd, het praten over en met de doden alsof ze echt daar zijn, het delen van voedsel met elkaar. Of hoe we aan de levende lijve ondervonden dat de dood echt deel uitmaakt van het leven. Een prachtige ervaring waarvan we allen wijze lessen uit kunnen halen. De ziel is een energie die, ondanks dat hij/zij niet kan zien en niet tegen je kan spreken, levend blijft, als een vriend waar we geen angst voor moet hebben, die ons geen kwaad zal berokkenen. Zingen, dansen en het delen met de doden heeft ook als functie om hen weer te begeleiden naar hun wereld. De bedoeling is dan ook werkelijk dat er niets van het voedsel en de drank weer terug gaat naar huis, de overschot blijft op het kerkhof zodat de zielen goed gevoed en vreugdevol terug kunnen keren. Vaak wordt er na het feest op het kerkhof nog lang na gevierd in de huizen van de families. Oneindig dankbaar voor hun dierbare voorouders, die dragers zijn van wijsheid die we hier op aarde nodig hebben …

Bio
Veerle beschouwt het als haar levenstaak om in deze wereld grenzen op te heffen op elk niveau, mensen en culturen bij elkaar te brengen, in ont-moeting te laten gaan, mensen en vooral vrouwen te steunen in hun proces om los te komen van oude vastgeroeste normen en patronen en ze hierdoor te laten herinneren wie ze werkelijk diep vanbinnen zijn en welke authentieke kracht er diep vanbinnen in elke vrouw schuilt … Haar inspiratie haalt ze uit het sjamanisme, de culturen van Latijns-Amerika, yoga, dans

Commentaren